Wat vertelt de wetenschap

Hoewel veel ouders gebruik maken van BabyTV of andere zogenoemde educatieve video’s om hun kind bezig te houden, benadrukt wetenschappelijk onderzoek dat de eerste twee levensjaren een cruciale periode vormen voor de hersenontwikkeling. In deze fase verdubbelt het hersenvolume en worden fundamentele neurale netwerken gevormd die bepalend zijn voor latere cognitieve, emotionele en gedragsmatige functies.

Tegen deze achtergrond groeit de wetenschappelijke zorg over de toename van schermgebruik bij baby’s en jonge peuters. Wereldwijd besteden kinderen in deze leeftijdsgroep gemiddeld meerdere uren per dag aan schermmedia, ondanks richtlijnen die juist pleiten voor terughoudendheid (Brown & Council on Communications and Media, 2011).

Versnelde hersenrijping en angstklachten

Recent longitudinaal onderzoek binnen de Growing Up in Singapore Towards Healthy Outcomes (GUSTO)-cohortstudie biedt nieuwe inzichten in de neurobiologische effecten van vroege schermtijd. De GUSTO-studie volgt in totaal ongeveer 850 kinderen vanaf de geboorte. Voor deze specifieke analyse selecteerden onderzoekers 168 kinderen waarvoor volledige gegevens beschikbaar waren, waaronder schermgebruik in de babytijd, meerdere hersenscans en latere gedragsmetingen (Tan et al., 2024).

De onderzoekers constateerden dat kinderen die tussen hun eerste en tweede levensjaar relatief veel schermtijd hadden, op latere leeftijd meetbare veranderingen vertoonden in de ontwikkeling van hersennetwerken. Het betrof een versnelde rijping van netwerken die betrokken zijn bij visuele verwerking en cognitieve controle, ook wel het visueel-cognitieve controle netwerk genoemd.

Hoewel ‘rijping’ doorgaans als een positief ontwikkelingsproces wordt gezien, kan een te snelle specialisatie in deze vroege levensfase problematisch zijn. De betrokken hersennetwerken lijken zich sneller te differentiëren dan gebruikelijk, nog voordat efficiënte verbindingen tussen netwerken volledig zijn opgebouwd. Volgens de onderzoekers kan dit de mentale flexibiliteit en veerkracht van het brein beperken (Tan et al., 2024).

Daarnaast werd een verband gevonden tussen deze vroege neurobiologische veranderingen, tragere besluitvorming rond de leeftijd van 8,5 jaar en verhoogde angstklachten op 13-jarige leeftijd. Hoewel het hier gaat om observationeel onderzoek en geen bewezen oorzaak-gevolgrelatie kan worden vastgesteld, wijst het patroon op een mogelijk ontwikkelingspad waarin vroege schermblootstelling indirect samenhangt met latere emotionele kwetsbaarheid.

Cognitieve gevolgen: taal, aandacht en executieve functies

De bevindingen uit de GUSTO-studie sluiten aan bij eerder onderzoek naar de cognitieve gevolgen van schermgebruik in de babytijd. Een systematische review van Kostyrka-Allchorne et al. (2017) laat zien dat vroege en frequente schermblootstelling geassocieerd is met meerdere ontwikkelingsuitkomsten:

  • Taalontwikkeling: Blootstelling aan televisie vóór de leeftijd van 12 maanden en meer dan twee uur schermtijd per dag hangt samen met een verhoogd risico op taalachterstanden. Voor elk uur passief schermgebruik neemt de blootstelling aan gesproken taal door volwassenen af.
  • Aandacht en gedrag: Vroege schermtijd is geassocieerd met later inattentive en hyperactief gedrag, kenmerken die overlap vertonen met ADHD-symptomatiek.
  • Executieve functies: Kinderen die vroeg of veel naar schermen kijken, scoren gemiddeld lager op taken die zelfregulatie, werkgeheugen en cognitieve controle vereisen.

Deze cognitieve functies zijn essentieel voor schoolsucces en sociaal-emotionele ontwikkeling, wat de relevantie van vroege omgevingsinvloeden onderstreept.

Verstoord spel en verminderde ouder-kindinteractie

Een consistent thema in de wetenschappelijke literatuur is dat schermgebruik in de babytijd het spel en de ouder-kindinteractie verstoort. Zowel de duur als de kwaliteit van gezamenlijke interactie neemt af wanneer schermen aanwezig zijn.

Zelfs zogenoemde achtergrondmedia (televisie die aanstaat zonder dat het kind actief kijkt) blijken relevant. Onderzoek toont aan dat achtergrondtelevisie samenhangt met een afname van ouderlijke spraak, minder wederzijdse interactie en een verstoring van de gefocuste aandacht van het kind tijdens spel (Christakis et al., 2009). 

Studies naar huishoudelijke prikkelbelasting suggereren bovendien dat een chronisch prikkelrijke omgeving kan bijdragen aan latere aandacht- en gedragsproblemen.

Het ‘video deficit’ en het belang van interactie

Baby’s en jonge peuters hebben moeite om informatie van een scherm te vertalen naar de echte wereld, een fenomeen dat bekend staat als het video deficit. Onderzoek laat zien dat kinderen onder de twee jaar aanzienlijk effectiever leren van directe sociale interactie dan van video-inhoud (Anderson & Pempek, 2005). Dit benadrukt het belang van live communicatie, gedeelde aandacht en responsiviteit in deze ontwikkelingsfase.

Conclusie

Hoewel causaliteit niet kan worden vastgesteld, wijst een groeiend aantal studies in dezelfde richting: vroege en intensieve schermblootstelling hangt samen met veranderingen in hersenontwikkeling, cognitief functioneren en emotioneel welzijn. Deze bevindingen onderstrepen het belang van voorzichtigheid met schermgebruik in de eerste levensjaren en benadrukken de centrale rol van menselijke interactie in de vroege ontwikkeling.