Geen verbod op babyTV: kinderopvang moet zelf grenzen trekken

Een plek waar baby’s samenkomen. Waar ze spelen, ontdekken en stap voor stap de wereld leren kennen. In de kinderopvang brengen jonge kinderen een groot deel van hun dag door, omringd door leeftijdsgenoten en begeleid door professionals. Het is een omgeving waarin ontwikkeling centraal staat en waarin voortdurend keuzes worden gemaakt over wat baby’s wel en niet te zien krijgen.

Schermgebruik als beleidsvraagstuk

Bij kinderopvangorganisatie Kober in West-Brabant worden die keuzes niet alleen op de groep, maar ook op beleidsniveau besproken. Barbara Gelens werkt er als medewerker beleidsontwikkeling & advies. Vanuit die rol houdt zij zich onder meer bezig met het opstellen en actualiseren van beleid, waaronder afspraken over mediagebruik voor baby’s en peuters.

Kober werkt met een overkoepelend mediabeleid dat is uitgesplitst naar leeftijdsgroepen van 0–4 jaar en 4–12 jaar. Binnen die groepen wordt verder onderscheid gemaakt tussen baby’s, peuters en oudere kinderen, omdat mediagebruik per leeftijdsfase verschilt.

Voor baby’s geen beeldscherm als standaard

Voor baby’s van 0 tot 2 jaar wordt schermgebruik binnen Kober zo veel mogelijk vermeden. Volgens Gelens is het onduidelijk of schermtijd op die leeftijd daadwerkelijk een meerwaarde heeft voor de ontwikkeling. Een beeldscherm wordt op babygroepen daarom bij voorkeur niet ingezet.

Binnen de opvang zijn wel tablets aanwezig, maar die worden gebruikt voor administratieve taken door medewerkers. Als er toch een scherm wordt gebruikt, gaat het om korte momenten, onder begeleiding en met een duidelijk doel. Schermen worden niet ingezet als bezigheid op zichzelf.

Kinderopvang zonder wettelijke houvast

Het mediabeleid van Kober is gebaseerd op landelijke adviezen en kennis uit onderzoek, niet op wettelijke verplichtingen. Volgens Gelens ontbreken in Nederland strakke wettelijke richtlijnen over schermgebruik bij jonge kinderen. Kinderopvangorganisaties zijn daardoor genoodzaakt zelf afwegingen te maken.

Kober zoekt daarbij actief naar wetenschappelijke informatie en maakt gebruik van bestaande kennisbronnen, waaronder de methode Media Ukkie, die handvatten biedt voor verantwoord mediagebruik bij jonge kinderen.

De praktijk verandert: schermen zijn overal

Binnen de kinderopvang merkt Kober dat schermen steeds nadrukkelijker onderdeel zijn geworden van het dagelijks leven. Gelens geeft aan dat er regelmatig ondersteuningsvragen spelen, onder meer rondom prikkelverwerking bij jonge kinderen.

Professionals signaleren daarnaast dat baby’s schermen herkennen. Wanneer medewerkers tablets gebruiken voor administratieve taken, tonen sommige baby’s interesse en proberen ze mee te kijken of ermee te spelen. Dat gedrag herkennen medewerkers ook uit thuissituaties.

Volgens Gelens ervaren professionals dit als een verschil met tien jaar geleden. Het gaat daarbij om observaties uit de dagelijkse praktijk, niet om wetenschappelijk vastgestelde veranderingen.

Ouders zoeken houvast

Ook vanuit ouders merkt Kober een groeiende behoefte aan informatie. Gelens ziet dat ouders steeds vaker vragen stellen over schermgebruik en openstaan voor informatieavonden of andere vormen van voorlichting.

Volgens haar zoeken ouders naar houvast in een omgeving waarin schermen overal aanwezig zijn en adviezen soms versnipperd of onduidelijk overkomen.

Bescherming van jonge kinderen: van wie is die taak?

De vraag wie jonge kinderen moet beschermen tegen mogelijke nadelige effecten van schermgebruik is volgens Gelens niet eenduidig te beantwoorden. Zij spreekt van een gedeelde verantwoordelijkheid. De overheid kan een rol spelen door overkoepelende afspraken te maken, terwijl ouders uiteindelijk beslissen over schermgebruik buiten de kinderopvang.

Kinderopvangorganisaties stellen binnen die kaders hun eigen grenzen en maken keuzes die passen bij hun pedagogische visie.

Meer duidelijkheid gewenst, geen makkelijke oplossingen

Over de vraag of wetgeving of richtlijnen het meest passend zijn, ziet Gelens zowel voor- als nadelen. Handhaving van wettelijke verplichtingen wordt als complex ervaren. Tegelijkertijd zouden landelijke richtlijnen, aanvullende scholing voor medewerkers en structurele informatievoorziening volgens haar kunnen bijdragen aan meer duidelijkheid voor zowel professionals als ouders.